Zondag 22 april - viering H. Vormsel - Weesp

Gepubliceerd op: 29/04/18

Beste/lieve vormelingen: Moira, Kelyan, Patrick, Ian, Yentl, Johan, Melica, Miguel en Sara,
Beste/lieve vaders en moeder, zussen en broers, peet­ouders, familieleden, vrienden, parochianen,

Vormelingen, ik vond het fijn om enkele weken geleden bij een van de jullie voorbereidingsavonden van het vormsel aanwezig te zijn. Ik zag dat jullie echt heel serieus bezig waren om je voor te bereiden op de toediening van het sacrament van het heilig Vormsel, dat vandaag plaats­vindt. Vandaag wil ik jullie een verhaal meegeven als een steun voor onderweg.
Natuurfilms op de tv vind ik vaak boeiend en heel interessant. Zo heb ik eens een film gezien over een arendsjong. Jullie weten misschien dat moeder-arend haar nest bouwt aan de loodrechte kant van een ravijn, op een plaats waar geen wilde dieren en geen mensen kunnen komen. Daar, in dat stevige nest, wordt het arendsjong uitgebroed en verzorgd. Als een zweeftoestel komt moeder-arend geruisloos op het nest aan. Ze legt behoedzaam het voedsel neer in de snavel van de jonge arend.
Maar dan komt er 'n dag waarop het moederdier wegblijft. Het kind begrijpt daar niets van en krijst van de honger. Maar moeder-arend is in geen velden of wegen te bekennen! Het vogeltje wordt magerder. Je kunt z'n ribben bijna tellen. Waar zou moeder zijn? Is zij verongelukt? Nee, zij blijft weg uit moederinstinct. Want na vier dagen komt ze weer opdagen. Het beest lijkt dan wel gek geworden! Ze laat zich als een bom boven het nest vallen en begint het nest van alle kanten uit elkaar te trekken. De jongen krijst in doodsangst. Maar moeder trekt zich niets van het jong aan. Ze trekt net zo lang aan het nest totdat het nest uit elkaar valt en het jonge dier de afgrond in tuimelt. Wat een ontaarde moeder! Hoe kan een moeder zó omgaan met haar kind?

Ik heb vaak het gevoel, dat God zich nét zo gedraagt als moeder-arend. God kan heel teer omgaan met mensen en hen liefdevol verzorgen. Maar dan lijkt Hij ineens ver­dwenen, ver weg uit je leven. Hij is er niet meer, als je Hem roept. Hij geeft geen antwoord meer. Je voelt je hul­peloos alleen. En als God zich dan weer laat zien, dan ge­draagt Hij zich als moeder arend: als een waanzinnige. Ook Hij slaat je veilige nest aan stukken en kiepert het om. Moeder-arend en God, beiden stoten zij hun kinderen in de duizelingwekkende afgrond van het ravijn. "Waarom?", zo vraagt het arendsjong zich af. "Waarom?", zo vragen wij ons af.

Toch is moeder-arend niet waanzinnig of dronken. Ze weet maar al te goed wat ze doet. Ze wil dat haar jong leeft! Het kind zal op eigen wieken moeten leren drijven! Haar kind is niet geboren om de rest van zijn leven in het nest te blijven liggen! Je mag de zon tegemoet vliegen, vertrouwend op de kracht van je vleugels. Maar dát durft het arendsjong niet. Zijn nest is veilig en als hij over de rand in de afgrond kijkt, ziet hij een duizelingwekkende diepte.
Maar moeder-arend weet instinctief dat haar veilige nest op den duur voor haar kind de dood betekent. Daarom moet het kind zijn nest uit! De moeder vernielt het veilige nest en geeft het jong prijs aan de afgrond. Alleen zo kan het dier verder leven. Wat een rijk moederinstinct om je kind prijs te durven geven aan de afgrond om het zo het leven te gunnen! Hoe vaak worden wij in ons leven niet uit ons veilige nest gegooid?

Geboren worden lijkt me eigenlijk voor een kind een ramp! Stel je voor: een veilige moederschoot, een moeder die je warmte geeft, die voor je eet en drinkt en ademt. Vanuit die warme moederschoot moet je dan die koude wereld in. Want de veilige moederschoot wordt uitein­delijk je dood. En als je geboren wordt huilen de meeste baby’s. En als ze dat niet doen geven we hen een tik voor de billen, want het kind moet zélf ademen en zijn of haar longen gebruiken. Of we willen of niet, je móet geboren worden, wil je écht tot leven ko­men.
En later moet je je veilige nest weer verlaten. Als je groter wordt, dan valt je kinderwereld in duigen. Je verliest je zekerheden. Je realiseert je dat niet je ouders, maar jij zélf een antwoord moet vinden op de grote vragen van je leven. Vragen als: Wat is waarheid? Wat is liefde? Wat is gerechtigheid? Hoe geef ik vorm aan mijn leven? Een stormachtige tijd, die we zelfs een aparte naam hebben gegeven: de puberteit!
Later bouw je zelf je nestje, alleen of met z'n tweeën. Ook dan kunnen er zware klappen komen. Je voelt dat je je veilige nest wordt uitgegooid. Zo vaak hoor ik mensen zeggen: God, hoe kunt u dat nu doen? Ik voelde me gelukkig, en nu heeft U het fundament van mijn geluk opgeblazen. Ik ben nergens meer! Tenslotte komt de dag, waarop we definitief ons leven worden uitgegooid, om aan de afgrond van de dood te worden prijsgegeven.
Misschien dat jullie zeggen: alles goed en wel, maar wat gebeurt er als God mijn veilige nest zó uit elkaar trekt, als de klappen in het leven zó hard aankomen, dat ik mijn laatste steunpunt in mijn leven verlies? Misschien mag ik nog eenmaal teruggaan naar het ver­haal van het arendsjong. Het kind valt in de afgrond en begint te fladderen. Eerst kan het zich nog drijvende houden. Maar het heeft nog zwakke vleugels. Al snel wordt het kind moe en dreigt te worden weggezogen door de zuigkracht van de afgrond. Moeder-arend vliegt bóven haar kind en kijkt gespannen toe. Op het moment waarop haar kind écht dreigt te vallen, schiet moeder onder haar jong en vangt hem op in het zachte dons van haar vleugels. Op haar sterke vleugels draagt ze haar kind naar veilige grond.
Zó is ook onze God. Op momenten waarop wij ons niet meer drijvende kunnen houden, schiet Hij onder ons en zegt: Laat je maar vallen, mensenkind, ik draag je verder op mijn sterke vleugels. Als ons leven grondig door elkaar wordt geschud, is het geen woedende God die zijn sadisme botviert, maar het is de levende God die zegt: laat je maar vallen, mensenkind. Je komt in een nieuwe fase van je leven. Je kunt niet als kind blijven leven. Je moet de wereld in. Daarom, durf de sprong in het leven aan, zelfs ook als het je laatste sprong in je leven is!

Ik begrijp nu wat Mozes bedoelde, toen hij vlak voor zijn dood het beeld van de arend heeft aangegrepen om uit te leggen wat hij bedoelde. In Deuteronomium 32:11 lezen wij: ‘zoals een arend zijn broedsel opwekt, over z'n jongen zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en wegdraagt op zijn wieken, zo heeft God alleen zijn volk geleid’. Je mag vliegen, mensenkind, de zon tegemoet. Laat je maar vallen, en Ik zal je wegdragen op mijn sterke vleugels naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Gedragen op Gods eigen vleugels. God die zoveel van mensen houdt, dat niemand in de afgrond terecht hoeft te komen. Wij mogen leven van zijn liefde van zijn geborgenheid, van zijn vriendschap. En die liefde staat ook vandaag bij het vormen centraal. Zoals een oud kerklied dat zingt: ‘Ubi Caritas et Amor, Deus ibi est’ (Waar liefde heerst en vriendschap, daar is God zelf aanwezig). Jezus vraagt aan ons: houdt de liefde toch niet voor jezelf. Hebt elkaar lief zoals Ik jullie liefheb.
God die liefde is en zo van ons mensen houdt dat Hij zijn eigen Zoon naar de wereld stuurde:Jezus Christus, de mens die in de geschiedenis van de kerk wordt vergeleken met een Pelikaan. ‘Pie Pelicane, Jesu Domine’. Van een pelikaan is bekend dat zij met haar snavel in haar borst prikt tot bloedens toe. Zo voedt de vogel haar jong met haar eigen bloed. En doet ons dat niet denken aan Jezus van Nazareth die zichzelf geeft aan mensen als gebro­ken brood en als een beker uitgegoten wijn, die Hij zelfs wil geven aan hen die zijn bloed wel konden drinken.
Ook in de lezingen die jullie voor vanmorgen gekozen hebben staat de liefde centraal. De apostel Paulus schrijft aan de christenen van de stad Korinthe dat we met elkaar moeten omgaan als het menselijk lichaam. Alle organen hebben elkaar nodig om het lichaam gezond te houden. Zo is het ook met jullie, zegt Paulus. Jullie kunnen wel zeggen ‘jij hoort er niet bij’ maar we kunnen niet zonder elkaar. Een Nieuwe wereld kunnen we alleen opbouwen als we niemand aan de kant schuiven.
En in de tweede lezing van de evangelist Johannes horen we over een zekere Thomas. Thomas was een volgeling van Jezus. Drie jaar had hij Jezus gevolgd. En mijn God, na drie jaar werd hij veroordeeld en aan een kruis gehangen en nu was hij dood. Teleurge­steld ging Thomas terug naar zijn huis. Hij was zijn geloof in Jezus kwijt. Maar de kracht van Thomas was dat hij, ook na zijn teleurstelling, tóch de groep bleef opzoeken. En dan ontdekt hij dat de Heer niet dood is, maar leeft, en komt hij tot de kortste en duidelijkste geloofsbelijdenis die er bestaat als hij stamelt: ‘Mijn Heer en mijn God’. Hij heeft zijn verrezen Heer in levenden lijve mogen ontmoeten.

Vormelingen, jullie zeggen vandaag ‘ja’ op de uitnodiging om te geloven in Jezus van Nazareth. Maar dat ja-woord hoef je niet voor jezelf te houden. We moeten, hoe jong we ook zijn, getuigen van ons geloof in de verrezen Heer Jezus Christus.  Enkele maanden geleden raakte ik in gesprek met een opnamezuster van een groot academisch zieken­huis. Ik vroeg haar of bij de opname ook je geloof nog wordt doorgegeven. Ze zei toen dat dat standaard is. En, voegde ze eraan toe, als iemand moslim is, zegt hij dat ook. Als iemand protestant is, dan zegt hij dat hij lid is van de PKN. Als katholieken langskomen, dan zeggen ze ‘ik ben katholiek van huis uit’. En dan klinkt het alsof hij of zij zegt ‘val me er verder niet mee lastig’. Waarom durven katholieken zo slecht voor hun geloof uit te komen? Jullie zijn gevormd naar het beeld van Jezus Christus en dat mag je zeggen en daarvan getuigen op de plaats waar je woont, werkt of naar school gaat.

Tenslotte, vormelingen, vandaag worden jullie gevormd, maar eigenlijk duurt het vor­men je leven lang.  Als twee mensen vijftig jaar getrouwd zijn, en de bruid aan haar man vraagt ‘houd je nog van me’, dan zal zijn antwoord nooit mogen zijn ‘zeur niet, mens, dat heb ik vijftig jaar geleden al tegen je gezegd. Trouwen dat doe je niet op één moment, het duurt je hele leven. In goede en kwade dagen, in armoede en rijkdom, in ziekte en ge­zondheid. En dat geldt ook voor het sacrament van het Doopsel en het sacrament van het Vormsel. Je doet daar je leven lang over. Ook in jullie leven krijgen jullie de kans om toe te groeien naar God, als zijn beeld en gelijkenis. Vormelingen, ik wens jullie een gouden toekomst toe als goedgevormde katholieken.

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam