Oecumenische viering - 17 september - Ds. J. Vree

Gepubliceerd op: 19/09/17

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters,

Je moet het lef maar hebben om als profeet in naam van de HERE, de God van Israël, te verkondigen: Want mijn huis zal heten: huis van gebed voor alle volken!
Stel je die teruggekeerde ballingen uit Irak en Iran eens voor. Ze waren daar na ruim een halve eeuw helemaal ingeburgerd, maar hadden zich losgemaakt voor de opgang naar Juda, naar Jeruzalem. Eindelijk weer onder ons, muren om de stad – want je was bepaald niet welkom! – en je wilt de tempel herbouwen … En dan komt er eentje met deze boodschap: mijn huis – die nieuwe tempel – zal heten: huis van gebed voor alle volken! Want dit is de godsspraak van Jahweh, jullie Heer, die het verstrooide Israël verzamelt: nog anderen zal ik verzamelen en voeg ze toe aan hen die reeds verzameld zijn!
Wat krijgen we nou? Wat moeten we met die vreemdelingen, met die castraten, geen man meer en geen vrouw? Die horen er helemaal niet bij! Want Dt 23:1 (Statenvertaling): ‘Die door verplettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering des HEREN niet komen!’ Simpel toch?
Maar wat zegt de profeet? Castraten geef Ik in mijn huis en binnen mijn muren een gedenksteen en een naam, letterlijk: een Yad Vashem. De gelijknamige herdenkingsplaats van Joodse slachtoffers van de Holocaust en redders van Joden is een navolging van dit godswoord over mismaakten. Over vreemdelingen die naam krijgen binnen de tempel. Hebt u daar wel eens bij stil gestaan?

Je moet maar het lef hebben om, zoals Jezus eeuwen later deed in de herbouwde tempel, diezelfde godsspraak aan te halen. Want er staat geschreven: mijn huis zal een huis van gebed heten, maar u maakt er een rovershol van! Toen was het kruis niet ver meer … Maar Jezus was nog niet uitgesproken. Na zijn opstanding volgde het ‘voor alle volken’: gaat dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen! (Matthéüs 28: 19; vgl. Lucas 24: 47). De eersten had hij al voor zijn sterven zien komen. Die vreemdeling, die Samaritaan, hij verheerlijkte God – luidkeels! Dat is het Evangelie in een notedop: halleluja. Anderzijds, juich niet te snel! Jezus zegt ook tot zijn leerlingen: je zult gehaat zijn door alle volken, om mij (Mattheüs 24: 9). Jezus’ evangelie kan weerstand oproepen, heus niet alleen bij moslims.

In de zgn. donkere Middeleeuwen hebben ze dat godswoord over de tempel begrepen. Als men toen een wereldkaart maakte, zoals bijvoorbeeld nog te zien is in de kathedraal van Hereford (rond 1280) in het Verenigd Koninkrijk, dan lag Jeruzalem in het midden van de cirkel, Europa bungelde links onderaan, Afrika rechtsonder en Azië vulde de bovenhelft.
Jeruzalem het midden. Later wisten we wel beter: de wereld is een bol en Europa het centrum. Nee, nog preciezer: het Engelse Greenwich het centrum, want daar loopt de nulmeridiaan. Met als gevolg: Europa op de wereldkaart pontificaal en groot in het midden en aan de zijkanten vertekening! Is dat nog vol te houden in Brexit-tijd; wij in het midden?

Want mijn huis zal heten: huis van gebed voor alle volken! Dat oude woord blijft hoe dan ook weerbarstig. Denk alleen al aan de steeds weer oplaaiende conflicten in de oude stad, waar Klaagmuur en de Al Aqsamoskee op de tempelberg dicht bijeen liggen. Je zult als joden maar teruggekeerd zijn naar het Beloofde Land, waar ook christenen en moslims hun heilige plaatsen hebben. Mensen uit alle volken kijken je op de vingers en geven hun commentaar. Je zult maar uitverkoren zijn tot centrum van de mensenwereld. Kom je uit de verstrooiing veilig bijeen – dan heb je nog steeds te maken met de gevolgen van die oude godsspraak: Nog anderen zal ik verzamelen en voeg ze toe aan hen die reeds verzameld zijn!
Echter, niet alleen de joden, ook wij, christenen hier in Weesp, vreemdelingen die erbij gekomen zijn, zitten met dat woord opgescheept. Want als dit woord – een huis voor alle volken – waar en betrouwbaar is, hoe zit het dan met onze visie op eigen volk en op andere volken? Onder meer op die volken, die ons, Europeanen, dikwijls meer dan een eeuw lang als kolonie hebben gediend. Zouden wij dan nu een kolonie, een volksplanting, van hen kunnen worden? Welk volk komt eerst; welk volk, welke natie, moet weer groot gemaakt worden en – ten koste van wie dan? Want wat de één wint, betekent in veel gevallen verlies voor de ander: deze aarde is per slot van rekening beperkt in omvang en grondstoffen.
Een beroep op de eigen traditie kan helpen om in deze tijd samen een weg naar de toekomst te vinden, maar dan moet je die traditie ook echt willen ontsluiten en serieus nemen. Mijn schild ende betrouwen, zijt Gij, o God mijn Heer … Maar dan kom je weer uit bij die God die zijn huis voor alle volken openstelt. Oorlof mijn arme schapen, uw herder zal niet slapen, al zijt gij nu verstrooid … . Wie waren er verstrooid? Dat waren de toenmalige slimme Nederlandse bootvluchtelingen in Engeland (alleen al in het toenmalige Londen tot zo’n 3500) en de grensoverschrijders naar allerlei Duitse steden.

Ho! – wacht even. Er staat nog meer in dat godswoord. Want mijn huis zal heten: huis van gebed … ! Het gebed, de smeekbede (want dat woord wordt hier gebruikt), dat is het wat volgens de profeet alle volken – Jood en vreemdeling – verbinden zal. De tempel is geen rovershol, maar ook geen multicultureel wereldcafé zonder verdere verplichtingen.
Nou zegt u misschien: gebed, smeekbede, moet dat verenigen? Welke religie is er nu zonder gebed? Is dat nu zo bijzonder, dat dit het cement in de samenleving kan worden? Nu, misschien helpt het om te zien dat in het hele boek Jesaja – 66 hoofdstukken lang – dit woord voor gebed maar vijfmaal voorkomt, waarvan tweemaal in dit stuk (overig plaatsen: 1: 15, 37:4, 38:5). Het is dus bepaald geen vroom woord, dat als suikergoed wordt uitgestrooid.
De eerste keer, in Jesaja 1, komt je dat woord ‘gebed’ zelfs tegen in een tirade. Een tirade tegen zowel de Judese leiders alsook het gehele volk: Wie heeft u gevraagd mijn voorhoven plat te lopen als u komt om voor Mij te verschijnen? (…) Uw wierook is een gruwel voor Mij. (…) Wanneer u uw handen uitstrekt, sluit Ik mijn ogen voor u, zelfs als u uw gebeden [meervoud !] vermenigvuldigt, luister Ik niet naar u: uw handen zitten vol bloed. Wast u, reinig u!
Uit mijn ogen met uw misdaden! Houdt op met kwaad doen. Leert liever het goede te doen, betracht rechtvaardigheid, helpt de verdrukten, verschaft recht aan de wezen, verdedigt de weduwen.

Ziet u het verband met het Schriftgedeelte van vanmorgen? Dat begint heel nuchter met: Zo spreekt Jahwe: onderhoudt het recht, beoefent gerechtigheid.
Recht – ook recht voor alle volken – komt niet vanzelf tot stand. Net als je fiets, je auto en je huis, moet je het recht van de samenleving onderhouden, bij de tijd brengen. Want de omstandigheden in eigen land en op het wereldtoneel zijn anders dan bijvoorbeeld in de jaren vijftig. Beoefent gerechtigheid! Ook hier geldt blijkbaar net als in ambacht en sport: oefening baart kunst! Ieder van ons wordt hier aangesproken: hoofd voor hoofd en via onze stem ook de overheden.
In de lezing uit Jesaja 56 horen we een Godswoord, een zaligsprekingGelukkig de man die zo handelt – voor gelovigen die een nieuwe toekomst, een nieuwe samenleving moeten opbouwen. Dat gaat beslist niet vanzelf; lees de geschriften Ezra en Nehemia er maar op na. Vandaar dat zij uitzien naar de redding en het recht van hun HEER. Maar, zo wordt hier meteen duidelijk gemaakt: een verbond kent twee kanten!

Vasthouden aan mijn verbond – tweemaal wordt dit in dit gedeelte gezegd; éénmaal van de castraten, de tweede maal breder: van de vreemdelingen en daarmee – via Jezus – ook van ons, die door hem bij dat verbond gekomen zijn. Een verbond dat op een veel langere traditie teruggaat dan mijn en uw Nederlandse identiteit.
Dat brengt mij bij de volgende vraag: wat bepaalt dan mijn en uw cultuur, identiteit en omgangsvormen? Voor mijzelf – en u moet zelf uw antwoord maar zoeken – dat is dat verbond waarvan de profeet spreekt. Dat andere, die Nederlandse tradities, zijn in de loop der eeuwen, zelfs tijdens mijn eigen leven, al zoveel veranderd, dat ik daar geen houvast in zie. Mijn vaste punt is dat ik van jongs af aan, vanaf mijn doop dat teken van een eeuwig verbond draag. Er is voor mij in de gemeente Gods gebeden, nog voor ik een woord kon uitbrengen.

Nee, ik onderhoud geen nieuwe maan of sabbat (Kolossenzen 3:16), maar meen wel bij het vieren van de zondag, de eerste of achtste dag, Gods schepping en verlossing, ja zelfs de herschepping te vieren, die met de opstanding van mijn Heer Jezus Christus is begonnen.
Zoals Hij bij zijn doop de Geest Gods zag neerdalen in de gestalte van een duif, zo mag ik samen met allen die mij voorgingen en die nog zullen komen, Gods Geest, en daarmee ook de vrucht van die Geest ontvangen, die volgens Paulus zo vele facetten heeft. Daarmee gesterkt zal ik samen met u en allen die vertrouwen op de God van Israël mijn weg moeten zoeken en vinden. Bidt dan om die Geest.

Geef die duif zijn volle waarde: de duif met de olijftak die Noach het nieuwe leven aankondigde (Genesis 8: 11), teken van de Geest die ons de weg van liefde, vreugde, vrede – en nog veel meer – wil wijzen in deze tijd.