18de zondag B. - 5 augustus 2018

Gepubliceerd op: 08/08/18

Exodus 16:2+4.12-15 en Efeziërs 4:17+20-24 en Johannes 6:24-35

De slotzinnen van het evangelie zijn intrigerend: ‘Jezus sprak tot hen: ‘Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen’ (Johannes 6:35)’.

Wat ben ik blij dat ik vandaag niet hoef te preken in dat dorp in Zimbabwe waar ik jaren geleden in een ontroerende viering voorging. Wat moeten ze daar met deze uitspraak van Jezus? Mag een hongerig mens dan niet bedelen om een stukje om te kunnen leven. En wat moet je met een God die dagelijks tienduizenden kinderen op de aarde zet, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, maar die daarna vele van zijn kinderen laat verpieteren in de woestijn? Of zou Jezus toch iets anders bedoelen met zijn uitspraak?
In het evangelie horen we dat Jezus ook zegt: ‘Werk niet voor voedsel dat vergaat.’ Jezus ként de mensen en kent ook hun énige zorg, en die is vaak: eten en drinken, geld verdienen en geld bezitten. Maar geld noch bezit maken de mens écht gelukkig. Daar is méér voor nodig! Hoeveel mensen gaan er niet gebukt onder de zorgen van elke dag? Als je dat ziet, dan weet je dat een mens niet leeft van brood alleen. Voor leven is méér nodig. Brood heb je nodig, maar je leeft pas écht door vrede, liefde, vriendschap en geluk. Een hand op je schouder, een kus op je wang, heb je even hard nodig als dagelijks brood. En Jezus verwijst dan naar het manna in de woestijn. Vandaar de keuze voor het Manna-verhaal uit het boek Exodus: ‘En Mozes legde hen uit: dit is het brood dat de Heer u te eten geeft.’ En dit manna verwijst naar de Thora. De les die Exodus geeft is: als je leeft onder Gods (tien) geboden, wordt het leven pas echt leefbaar en het voedsel pas echt smakelijk.

Ook Jezus deed bij het Meer van Galilea zijn wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Was dat nou zo'n wonder? Jezus heeft ons geleerd dat wij mensen tot grotere wonderen in staat zijn, als wij met elkaar ons brood willen breken en delen, en dat wereldwijd! Geleerde mensen hebben uitgerekend dat de aarde voldoende opbrengt om elk mens van voedsel te kunnen voorzien. Hoe komt het dan dat in de westerse wereld er voedsel doorgedraaid wordt en in de zuidelijke wereld mensen sterven van de honger? Een westerse wereld die alles voor zichzelf houdt zal uiteindelijk geen levend water, maar een Dode Zee worden, waarin menselijk leven niet meer mogelijk is. Alleen degene die durft te breken en te delen, zal zijn leven helen.

Voedsel is belangrijk voor alles wat leeft. Hebben wij nog eerbied voor ons voedsel of zeggen we: we hebben het zelf verdiend en dat is het. We betalen er toch voor! Of zijn we ervan overtuigd dat we dat allemaal zelf hebben verdiend? Staan we nog open voor het wonder? Hebben we er nog eerbied voor? Vroeger werd met het mes een kruisteken over het brood gemaakt. Daarmee werd aangegeven dat het brood uiteindelijk van God komt. Hij zorgt voor de groeikracht zoals Hij ook zorgt voor nieuw menselijk leven, al zijn er mensen die menen dat zij kinderen maken vanuit hun menselijke potentie. Gelovige mensen weten dat zij met het krijgen van kinderen krachten in zichzelf mogen aanspreken die met God van doen hebben.
Hoe gaan wij om met ons voedsel? We geven onze boterhammenworst menselijke gezichtjes. Dat is leuk voor de kinderen., maar voor mij hoeft dat niet. Eten heeft voor mij te maken met het leven, waarvan God ons zo royaal voorziet. In gebaren van brood en wijn geeft Gods Zoon zich als gebroken brood en een beker uitgegoten wijn. Dat kost bij elkaar maar een paar kwartjes. Maar er zit een opdracht in. Het betekent dat wij - in Gods naam - meewerken aan een wereld waarin geen lichamen meer worden gebroken en geen onschuldig bloed meer wordt vergoten.

Als we feestvieren of rouwen delen we met elkaar de (koffie-)tafel. Bij deze gewoonte sluit Jezus zich aan. Hij geeft zichzelf als gebroken brood. ‘Niemand heeft grotere liefde dan hij die zijn leven geeft voor zijn vrienden’ is zijn levensmotto. Tot de dag van van­daag mogen wij van die opdracht leven. Als het ons lukt zullen er veel mensen zijn die in óns Gods stem horen, namelijk ‘Mensen, sta maar op. Eerlijk zullen we alles delen’.

Brood gebruiken we ook in de Eucharistie. We doen dan wat Jezus zelf deed. Wij moeten brood voor de wereld worden. Dan zal het ons weinig interesseren waar ons brood eigenlijk blijft. Iedereen heeft het recht om zijn of haar stuk van dat brood af te breken. Daarmee breken ze ook een stuk af van ons menselijk egoïsme, van ‘ieder voor zich en God voor ons allen’. Een vriendelijk woord, een hartelijk gebaar hoeven we niet voor onszelf te houden. Dat mogen we doorgeven, vooral aan mensen die dat het meest kunnen gebruiken! Breken en delen maakt het leven van onszelf en van anderen drage­lijker en vruchtbaarder.

Pater Jan Haen C.Ss.R.