17e zondag door het jaar - C Muiden 28 juli 2019

Gepubliceerd op: 05/08/19

‘Op een keer was Jezus ergens aan het bidden’. volgens Lucas vragen zijn leerlingen Hem: ‘Heer leer ons bidden’. Ik stel- het bidden maakt een crisis door. Ik heb gebeden, maar het heeft niets geholpen! Het is alsof je tegen een muur praat! Je klopt, maar wordt er wel eens open gedaan?  In het ‘Rijke Roomsche Leven’ kón je bidden, maar in onze tijd lijkt God zo ver weg! Echter, ik denk dat we steeds meer moeite hebben met het adres van ons gebed. Wie is diegene die wij in navolging van Jezus ‘de Vader’ mogen noemen?
De diepste moeilijkheid met ons bidden ligt in de vraag naar God. Want juist rond God is de onrust, de onzekerheid en de verwarring groot geworden. Kun je als modern mens iets over God zeggen? Is God wel Iemand tot wie je het woord kan richten en van wie je een persoonlijk antwoord verwacht? Is God wel IEMAND, een persoonlijk IEMAND, die voor mij belangstelling heeft en mij van binnen en buiten kent?

Wij spreken vaak in beelden over God, zoals wij ook de rijkste dingen van het leven in beelden proberen te vangen: in een woord, een gedicht, een dans, een spel, een echt beeld. Bijvoorbeeld: liefde kun je vuur noemen, en haat kun je brand noemen. Maar échte liefde en échte haat gaat boven die beeldspraak uit. Zo is het ook met God  - elk woord wat wij over God uitspreken komt verwrongen uit onze mensenmond. Wanneer Jezus over God spreekt gebruikt hij het prachtige beeld van de Vader. Elders heet God ‘rechter’ of ‘schepper’. Wij kunnen niet zonder beelden over elkaar en zeker niet over God spreken, maar we moeten daarbij wel oppassen dat we het beeld dat wij van God gevormd hebben niet verwisselen met God zelf. Want dat is afgoderij.

In het evangelie horen we dat Jezus bidt tot zijn Vader in de hemel. Maar kunnen wij tot God bidden als tot een persoonlijke God, aan wie je je problemen en zorgen kwijt kunt, die je kunt bedanken voor de liefde en de vriendschap die je mag ondervinden, die je een antwoord geeft op de grote problemen van het menselijk bestaan?
Het hebreeuwse woord voor bidden is PALLEL. Vrij vertaald betekent het ‘Op de vuist gaan met God’. Het betekent vechten, strijden en worstelen met jezelf. Zoals dat wordt voorgesteld als de worsteling van Jakob met de engel die nodig was, voordat hij tot Gods zegen kon komen. Het gebed is ook een strijd om de gebruikte en platgetreden woorden een nieuwe betekenis te geven. Pallel betekent ook ‘Rechter zijn over jezelf’, het buiten jezelf treden, zodat je jezelf kunt zien staan in je eigen situatie. Zo is bidden het moment waardoor ik uitdrukkelijk mijn leven in verband breng met God, met mijn zorgen en mijn geluk, met mijn lief en leed, met mijn leven en dood. Na een drukke dag 'keer je je in jezelf', 'verhef je je hart', ben je op zoek naar de diepste laag van je mensenbestaan.

Jezus heeft ons de zin van bidden wel heel duidelijk laten zien in zijn leven. Op verschillende plaatsen in het Evangelie lezen wij dat Jezus bidt. Het mooiste gebed vinden we vanmorgen in het evangelie van Lucas . Op de vraag van de leerlingen ‘Hoe moeten wij bidden?’, zegt Jezus  ‘zó zul je bidden...’ En dan geeft Hij ons de woorden van het Onze Vader. Dat gebed is vooral bedoeld om sámen te bidden, in het besef dat ieder van ons deel uit maakt van de pelgrimstocht naar God toe. Een pelgrimerend volk dat weet heeft van zonde en verlossing, van schuld en vergeving.
In het eerste gedeelte van het Onze Vader komt Gods naam ter sprake. Het gaat om Zijn Naam en om de komst van Zijn Koninkrijk. Het gaat om ons brood van vandaag en onze schuld van gisteren. We mogen God aanspreken als Vader. Iemand bij wie je thuis bent, voor wie je geen angst hebt. En als we ónze Vader bidden, doen we dat in het besef dat we hier op aarde allemaal elkaars broeders en zusters zijn. ‘Uw naam worde geheiligd’ betekent: dat wij Uw Naam waar mogen maken. Dat wij Uw naam het laten maken in deze wereld, zoals een zanger en zangeres naam maakt.

Het verhaal van de man die midden in de nacht bij zijn vriend om drie broden komt zeuren, liegt er niet om. Die drie broden lijken triviaal, maar de zaak waar het om gaat - de gastvrijheid - was blijkbaar genoeg om zijn vriend het bed uit te halen. De vriend is schaamteloos in zijn verzoek! Te bescheiden naar God gaan is blijkbaar geen teken van vertrouwen. Integendeel! Maar wat opvalt in de beide verhalen is, dat beide bidders niet iets voor zich zelf vragen. Abraham pleit voor de inwoners van Sodom en Gomorra, de man uit het evangelie verstoort de nachtrust van zijn buurman om brood te vragen voor een onverwachte gast.

Wij bidden elk weekend onze voorbeden. Wat bidden we dan? Is het vragen om niets? Je mond opendoen zonder te weten waar je woorden terecht zullen komen? Ik denk dat in de voorbeden wij ons als mensen ook zélf ondervragen. Wij bidden voor onze doden en voelen ons met hen verbonden. Zo leren wij bidden om solidariteit, en roept de bede om brood in ons op ons eigen brood met anderen te delen. De bede om vergeving roept ons op elkaars schuld te vergeven. De bede niet in bekoring te worden gebracht moet ons leren anderen niet in verleiding te brengen. Degene die van harte het Onze Vader bidt, zal daar zijn leven aan aanpassen. Hij beschouwt God als zijn Vader en alle anderen als zijn zusters en broeders. Toch!

Pater Jan Haen