32ste zondag 10 november 2019. Weesp

Gepubliceerd op: 12/11/19

November is vanouds de maand waarin wij onze doden gedenken. Wie ooit oog in oog heeft gestaan met de dood, een man, een vrouw, een kind heeft verloren, die praat niet meer lichtzinnig over opstaan uit de dood.
Een kind in de bloei van zijn leven sterft, terwijl een ander, oud en versleten en verlangend naar de dood, maar door blijft leven? Een kwestie van willekeur?
Lijden en sterven lijken zinloos in mensenogen. Waarom staat dat kruis midden in ons leven geplant? ‘Kom van dat kruis af’, roepen de omstanders naar Jezus. Waarom doe je zo moeilijk, Jezus? Als je tóch voor mensen kiest, waarom kies je dan niet voor de goéde kanten van het leven? En waarom maken wij ons soms druk over het kruis van anderen? Tot het moment waarop het leven jouzelf het kruis stevig in je nek drukt. Waarom loopt de weg naar de hemel via Gol­gotha? En trouwens: is hier de wens niet de moeder van de gedachten? Wat weten wij af van een hemel? Wie van ons heeft er weleens een weekend doorgebracht? En hoe stellen we ons de hemel voor? Het lijkt mij afschuwelijk om de hele dag alleluja te lopen zingen en maar met palmtakken te zwaaien! Stomvervelend!

De Sadduceeën, een groep vrijdenkers ten tijde van Jezus, geloofden niet in de verrijzenis of in de hemel. Zij verzinnen een verhaal om het geloof in de verrijzenis belachelijk te maken: Een vrouw is zesmaal weduwe. Ze trouwt voor de zevende keer. Met wie zal ze in de hemel getrouwd zijn? Als ze die vraag horen, weten de omstanders onmiddellijk waar het om gaat. Is de trouw, waar verliefden over dromen, alleen maar ‘totdat de dood ons scheidt?’ Jezus kijkt op, en kijkt hen aan. En Hij antwoordt: “in deze wereld trouw je, dat doe je in die andere wereld niet, omdat daar geen dood meer is. Dood betekent verdeling, van elkaar gescheiden zijn. Dat is er straks niet meer. Het verrezen leven, de hemel, is een bij elkaar zijn, niet met één, niet met zeven, maar met iedereen. Hemel betekent: niet langer gescheiden zijn van anderen, en niet langer verdeeld zijn in jezelf. Hemel betekent: als kinderen van God samenzijn met God”.

En Jezus maakt ons dat duidelijk in het verhaal van de wijnstok, waarvan alle takken, wortels, bladeren, bloemen en vruchten het éne leven uitmaken. God heeft de mens geschapen. De mens is het werk van Zijn handen. Als God één keer ja zegt tegen het leven van de mens, dan zegt Hij nooit meer nee. Natuurlijk weten we niet waarom jonge kinderen sterven en waarom in deze wereld de ene mens het beter heeft dan de ander. Duidelijk is wél dat bij de dood de mensen elkaar hebben ingehaald. De dood kent geen onderscheid, noch in leeftijd, noch in bezit, noch in aanzien. Als mensen gaan we voor de bijl - de een wat vroeger, de ander wat later. Maar God zegt ja tegen het leven, zelfs tot ín de dood. Juist omdat Hij ons meedraagt in zijn Liefde. Hij heeft onze namen geschreven in de palm van Zijn hand. Wat er ook gebeurt, Hij veegt die naam nooit meer uit, ook niet als onze liefde verkoelt. Ook niet als we wegglijden in de zachte dood. Want niemand valt,  hij of zij, in de handen van de levende God.

God zegt ja tegen het leven, zelfs tot in de dood. Juist omdat we te maken hebben met een God die ons draagt in liefde. De dood zal er niet meer zijn. Geen gerouw, geen geween, geen smart zal er zijn.
Jezus zelf heeft het aan zijn eigen lijf ervaren: dat ook Hij niet terechtkwam in het graf van alles voorbij. Ook Hij kwam terecht in de handen van de levende God. God die mensen draagt en blijft dragen - tot zelfs over de grenzen van de dood heen. Sinds mijn geboorte staat mijn naam onuitwisbaar in Zijn handpalm. De toekomst van de mens ligt verankerd in het leven van God zelf. Wij mogen delen in de verrijzenis van Jezus. Dit geloof in de verrijze­nis is geweldig dynamisch.
Dat hoorden we ook in de eerste lezing, waar zeven broers en hun moeder gemarteld worden. Ze weerstaan hun folteraars, omdat ze geloven in de verrijzenis van het lichaam. En wie écht gelooft in het hiernamaals, zal zich inzetten in het hiernumaals, zal eerbied hebben voor alles wat leeft. Hij weet dat het de moeite waard is je te weren tegen de dood. Hij gelooft dat er iets beters zal komen en dat het de moeite waard is om je daarvoor in te spannen.

God heeft het eerste woord, God heeft het laatste woord. Daarom zingen of bidden we elke zondag, staande met beide benen op de grond: ‘Ik geloof in de verrijzenis van het li­chaam en het eeuwig leven. Amen!’. Wij mogen leven van Gods hemelse trouw.

Pater Jan Haen C.Ss.R. en Pater Ambro Bakker SMA