Derde zondag van de Veertigdagentijd – C 24 maart 2019. Muiden

Gepubliceerd op: 26/03/19

In het plaatsje Siloam was er iets verkeerds gegaan bij de bouw van een toren. De to­ren viel om en 18 arbeiders waren onder het puin terechtgekomen. Mensen praten nergens anders over. Iedereen is geschokt. Wat is de oorzaak? Wat is er misgegaan bij de bouw? En dan is er altijd iemand die het antwoord klaar heeft. Staande op de markt vertelt hij aan iedereen die het maar horen wil: ‘natuurlijk is het zielig, maar mis­schien zit er toch een beetje eigen schuld bij! De bouwlieden moeten wel iets heel slechts gedaan hebben, als God hen zo straft!’
Het is het verhaal van alle tijden. Als er iets misgaat in onze wereld, dan wijzen we de schuldenaars aan. Een man schiet 3 mensen dood en verwondt anderen in een tram in Utrecht. Waarom was deze man niet eerder vastgehouden; hij had een strafblad enz. Hetzelfde gebeurt soms als het gaat om een natuurramp zoals een overstroming of een aardbeving. Enkele jaren geleden werd dat zelfs nog beweerd door een Italiaanse bisschop voor de tv.

Ook ten tijde van Jezus waren er mensen die op zoek waren naar de schuldigen van welke ramp dan ook. En u kent ongetwijfeld dat verhaal waarin Farizeeën aan Jezus vragen: ‘die blinde man die voor u staat. Is hij nu blind, omdat hij zelf heeft gezondigd, of hebben zijn ouders dat gedaan?’ In de taal van onze tijd: als iemand een ongelukkig kind krijgt, zijn zij daar dan zelf niet een beetje schuldig aan?
Een ongeluk komt zelden alleen; 18 mensen onder het puin en er komt al weer een nieuw bericht. Pilatus had een groep Galileërs laten vermoorden op het tempelplein, omdat hij ze verdacht van staatsondermijnende activiteiten. En hun bloed vermengde zich met het bloed van de offerdieren. Stel je voor: mensen die om het leven waren gebracht tijdens de dienst in de tempel! Hoe kan God dat nu toelaten? En wéér roept de man op het tempelplein: ‘God is rechtvaardig, het moet dus aan de slachtoffers zelf liggen!’
Jezus staat te kijken en begint zich geweldig te irriteren. Tot zijn vrienden zegt Hij: ‘die man moet op zijn kop hebben. Hij laat jullie dingen geloven die niet waar zijn. Hij misbruikt het woord van God om zijn eigen theorieën te ondersteunen. Wat denkt hij wel? Dat hij beter is dan die jongens die onder het puin van de toren terecht zijn geko­men? Denkt hij dat God zoiets doet? Nee, zo is God niet. God heeft zelfs medelijden met een mus die van een dakrand valt. Daar heeft Hij al verdriet over. Denk je dan dat dat bij mensen niet het geval is?’
In de schriften komt God naar voren als een barmhartige God. Het is dezelfde God die gezegd heeft tot Mozes: ‘Ik heb de ellende van mijn Volk gezien. Ik ga het bevrijden uit Farao's klauwen! Ik zal afdalen om hen weg te voeren uit hun verbittering. Ik daal af om het geminachte kind te bevrijden uit de macht van zijn opvoeders. Ik daal af om de eenzame bejaarde te bevrijden uit een geïsoleerd bestaan. Ik daal af om politieke gevangenen te bevrijden. Ik daal af om de laagstbetaalde te bevrijden uit de maatschappelijke verdomhoek. Ik daal af om de ongeneeslijk zieke te verlichten.’ Doet God dat allemaal zelf? Ja, maar Hij doet het wel door mensen als Mozes. God werkt door ons. Wij mogen zijn handen zijn.

Toen een legereenheid van de Amerikanen in de nadagen van de oorlog in Zuid- Duitsland kwamen, vonden ze te midden van een kapotgeschoten kerk een kruis waarvan de handen verdwenen waren. De kerk is weer opgebouwd. In het midden van de kerk hangt weer het oude kruis. Men heeft de handen weggelaten. Onder het kruis hangt nu een bordje, met daarop de tekst: Jullie zijn mijn handen! God werkt door ons aan het heil van mensen.

En nu niet te gauw denken dat het vanmorgen weer over je buurman of buurvrouw gaat. Het gaat vanmorgen vooral ook over onszelf. Zelf veroorzaken we vaak veel verdriet, door onze houding en opmerkingen. Concreet zetten we vaak dagelijks anderen op hun nummer of in de hoek. Dagelijks zijn ook wij wat al te gemakkelijk op zoek naar zonde­bokken. Ook wij hebben onze goede en sterke kanten, maar gaan vaak met onze idealen ten onder aan de werkelijkheid.
De zondebokken uit je leven bannen, je doet er je hele leven over. Jezus geeft ons vandaag weer een wijze les mee. Hij vertelt het verhaal van de vijgenboom die opnieuw een kans mag krijgen. Wij hakken het liefst de onvruchtbare bomen om, hoewel we vergeten zijn om ook eens in ons zelf te snijden! Al drie jaar draagt de vijgenboom geen vrucht meer. Omhakken die handel, zeggen wij. Niets omhakken, zegt Jezus, laten we het met elkaar nóg eens proberen. Laten we de grond omspitten en er mest op gooien. Misschien lukt het volgend jaar! Dit verhaal gaat eigenlijk over mensen, dus over onszelf. Hoeveel mensen willen wij niet elimineren, omdat wij geen toekomst meer in hen zien? Zet ze gevangen. Stuur ze maar naar werkkampen! Volgelingen van Jezus weten dat niemand wordt afgeschreven, zelfs als wij denken dat er voor sommige mensen geen toekomst meer is. Jezus zegt: ‘er is áltijd bekering mogelijk, niemand mag als hopeloos worden afgeschreven.’
De rampen zijn voor mensen een uitnodiging om op zoek te gaan naar de schuldigen. Voor Jezus zijn die rampen aanleiding om eens naar je zelf te kijken! ‘Er is bekering nodig’. Hij zegt: ‘sterker nog, als jullie je niet bekeren, komen jullie allemaal om onder het puin van deze wereld. Elk mens is bij tijd en wijle dor en droog, onvruchtbaar als de vijgenboom. Maar telkens krijg je een nieuwe kans, maak Ik de weg voor je vrij, zelfs al ben je al drie jaar achter elkaar onvruchtbaar gebleven en breng je geen vruchten meer voort die bij bekering passen.’

Dit mogen wij vanmorgen weer van Jezus leren: in onze samenleving wordt niemand omgehakt, omdat het God zelf is die gelooft in beterschap, zelfs van droge en verdorde vijgenbomen…

Pater Jan Haen C.Ss.R. en Pater Ambro Bakker s.m.a.