Paaszondag - Verrijzenis van de Heer – C 21 april 2019. Weesp

Gepubliceerd op: 22/04/19

Pasen is eigenlijk een onmogelijk feest. Een jonge man, net in de der­tig: de dood ingejaagd, kapot ge­maakt, klein gekregen, diep in de aarde weggestopt als een bange herinnering. Een Mens sterft en valt terug naar de aarde. Maar het leven gaat door, terwijl hét leven hangt te sterven. De keizer van Rome heft zijn glas, terwijl in een uithoek van zijn wereldrijk de Messias wordt ge­liquideerd.

Als we over de dood van Jezus praten, dan lijkt het wel alsof we afdalen in de schemerige grafkelders van een middeleeuwse kathedraal; boven de gewij­de ruimte van God, daaronder de grafkelders met de geur en de duisternis van de dood. Regelmatig kom ik in de grafkelder onder de kerk van mijn klooster, Klooster Wittem. De overblijfselen van meer dan drie honderd kloosterlingen liggen verscholen achter stenen afsluitingen in die kleine ruimte van de grafkelder onder de kerk. Dan is lichtvaardig praten over ‘opstaan uit de dood’ wat lastig. Vooral als het je vak is, moet je er voortdurend op bedacht zijn dat je niet ál te gemakkelijk praat over de opstanding uit de doden. Op Golgotha lukt dat al bijna helemaal niet meer: God is bij de dood zo verschrikkelijk verborgen. Zelfs Jezus roept vertwijfeld, aan zijn kruishout: ‘Mijn God, waarom laat U Mij zo alleen?’ Om bij God te komen móeten we langs het kruis. We komen er niet zonder kleerscheuren af. We verliezen onze liefste mensen in het graf van de dood. Zelfs de dood krijgt de mens niet voor niets, want dat kost je je leven.
Jezus is de dood niet uit de weg gegaan. Juist omdat Jezus hartstochtelijk van het leven hield, stevende Hij recht op de dood af. Diep bewogen staat Hij bij het graf van zijn vriend Lazarus. Huilend staat Hij op de heuvel die uitkijkt over de stad Jeruzalem, als Hij nadenkt waar de toekomst van Jeruzalem op uit zal lopen. Niemand zal weten wat er aan ontroering door zijn hart is gegaan, toen Hij het kleine handje van het dochtertje van Jaïrus in zijn grote mensenhanden nam. En wat is het handje koud en kil, ook al zeggen de mensen: ‘wat ligt dat kind er mooi bij’. Jezus zag door de vitrages van dat medelijden heen. Hij zag dat de dood ook aanwezig was in de levenden die om de dood heen stonden. Jezus wilde geen camouflage als de tornado van de dood door een mensenleven heentrekt. Golgotha confronteert ons met onze eigen dood.

Zelf worden wij lijken of gewoon een handjevol as: ieder van ons. Wij moeten weten dat, wanneer ons eigen uur aanbreekt, het kruis van Jezus dan onze enige redding is. Laten we ophouden met tot elkaar te zeggen: ‘wat ligt-ie er mooi en vredig bij’. Daar ligt de kracht van onze troost niet, want een lijk is een afschuwelijk iets. Mensen die je bemind hebt kun je niet meer aanraken. Maar toch zijn mensen geboren met handen om elkaar te beminnen, met ogen om naar elkaar om te zien, met monden om met elkaar te praten, met oren om naar elkaar te luisteren, met voeten om elkaar te begeleiden op onze levensweg? Niet dat iemand er mooi bij ligt is onze troost, maar alleen de woorden van de gekruisigde zelf die spreekt over de stervende graankorrel die eerst voor lijk de grond in moet om tot leven te komen.
Soms denk ik: kon ik maar het gesprek afluisteren dat een bloembol ongetwijfeld met een krokus zou kunnen voeren. Ik wou dat die dan konden praten. Dan zouden we een waanzinnig verhaal horen. Dan zouden we de bloembol aan de krokus horen vragen: hoe kom jij aan je prachtige kleuren? Hoe ben je eigenlijk zo mooi geworden? Dan zal die krokus vertellen dat hij of zij, om zo mooi te worden, eerst dood moest. Hoe zij of hij diep in de aarde is weggestopt: zand erover! En hoe hij of zij na verloop van tijd opengebar­sten is, letterlijk aan de nieuwe bloem is doodgegaan, afgestorven, om zo tot nieuw leven te komen. De bloembol zou dan zijn hoofd schudden, het niet kunnen begrijpen! Moet je echt die natte vieze donkere aarde in om weer tot leven te komen en zo mooi te worden? En de vraag is of de bloembol het dan aandurft. Durft hij dezelfde weg te gaan als de verrezen krokus? Niemand kan hem daarbij helpen. Zélf moet hij de donkere aarde in, met alleen zijn geloof en een rotsvast vertrouwen, dat alles goed zal komen. Wij zullen moeten leren varen op het kompas van de krokus, vertrouwend dat die de waarheid spreekt.

Het gaat misschien wat te ver om Jezus te vergelijken met een krokus. Maar Jezus ge­bruikt toch zelf het beeld van de stervende graankorrel. Dat is ook het testament dat Hij ons heeft nagelaten: de stralende hoop, de blijde verwachting die door alle droefheid heen breekt. In de aarde vallen en sterven, het gaat over jaren, maar de vruchten zullen er zijn! Hard en onmogelijk vallen die woorden op ons hoofd, dat vol gedachten en herse­nen zit, en niet begrijpt. ‘Hij is verrezen’, een woord als een zee, je kunt er niet oplopen, niet op bouwen, het glipt als water tussen je vingers door. ‘Hij is verrezen’, een woord als een berg: je kunt er niet overheen kijken, je weet niet wat erachter ligt, wat het betekent: is Hij soms hier, een lichaam, met ogen die zien, met kleren aan zoals wij? En hoe dan? Ma­ria van Magdala ervaart hem aan den lijve. Hij is niet hier, Hij is verrezen. Zonder vreugde en vervoering staat dat geschreven. Het lijkt wel alsof dat volkomen normaal is. Jezus heeft zijn doodskleed netjes opgevouwen en is al weer op weg naar Galilea. De mensen die als eersten met dit bericht werden geconfronteerd moesten dat eerst verwer­ken: ze vluchtten weg in angst en ontsteltenis. In hun paniek vertelden ze het aan nie­mand.
Die paniek is niet zo verwonderlijk. Dat wij dit woord niet kunnen geloven en niet kunnen leven, dat het zonder kracht is en geen licht ontsteekt en onverstaanbaar blijft, dat is het wonder niet. Kijk naar iedere dode, en er is niets te zien van ‘verrijzenis’. En kijk naar de levende mensen op aarde: de dofheid, de matte zorg, de eindeloze gang, de slavernij, het geweld, - en het niet anders willen, lijkt het wel. De mensen zeggen: er kan niets gebeuren; er is geen toekomst, er kan niemand komen die mij bevrijdt; het is logisch dat mensen zich gewonnen geven aan het graf van voorbij, zich gewonnen geven aan graf en grafsteen. Die wanhoop is toch geen wonder? Maar dat er te midden van die wereld er tóch een hand komt van de andere kant, een hand die bevrijdt, iemand die doet wat Hij zegt en ons in leven houdt. En die hoop heeft het al tweeduizend jaar kunnen winnen van de dood. Het is een wonder dat met elke geliefde dode die hoop niet sterft...

Geen mens snapt dit. Voor niet-gelovigen, Paulus zei het al, is de verrijzenis van Jezus eigenlijk dwaas. Je probeert met je verstand oplossingen te zoeken. Dat doen wij ook, maar als gelovige mensen voegen wij eraan toe: slaap niet in, zorg dat je wakker bent als de bruidegom je komt halen. Pasen vieren betekent: een plaats geven aan die onbereken­bare dood. ‘Als Christus niet verrezen is’, zegt Paulus, ‘dan is ons geloof ijdel en zonder waarde’.
Misschien komen we juist op Paasmorgen tot het geloof dat gebeiteld staat op een steen die aan het begin staat van de Zuiderbegraafplaats aan de Herenweg in Groningen: ‘be­wandel met blijheid dit veld, o mensch, het is de akker van God, bezaaid met het zaad voor de eeuwigheid’. Dat vergeten we weleens: dat onze begraafplaatsen ‘dodenakkers’ worden genoemd. En in een akker ligt niet de dood. Je zaait je in, en je wacht op de vruchten die er zullen komen. Ze liggen, dat is puur Paasgeloof, in vruchtbare grond. Vanuit dit geloof wens ik u allemaal een zalig en vreugdevol Pasen toe.

Christos Anesti - de Heer is waarlijk opgestaan, alleluja!

Pater Jan Haen C.Ss.R. en Pater Ambro Bakker s.m.a.