Preek van de week. 19de zondag door het jaar – C 11 augustus 2019. Weesp

Gepubliceerd op: 11/08/19

19de zondag door het jaar – C 11 augustus 2019. Weesp

Wijsheid 18:6-9, Lucas 12:32-48

Zonet werd gelezen: ‘houdt uw lendenen omgord en uw lampen brandend, want ge weet niet wanneer de Heer des huizes komt!’ Het is altijd op een moment waarop je Hem niet verwacht! Bereid je als mens voor op die ontmoeting en stop je hoofd niet in het carrière-zand.

Dus is de vraag: Waar ligt het échte geluk? Niet in geld, in bezit, in steeds meer hebben. Want daar kun je onder bedolven raken. Je kunt eronder verdwijnen, zodat je zelf nergens meer bent. Maar dan is ook de ánder weg, want je bent onbereikbaar geworden. Je kunt natuurlijk oogkleppen opzet­ten, met je ellebogen werken, dwars door alles en iedereen heen. Je bestijgt de ladder van het succes. Iedereen is platgewalst, weggedrukt en verdwenen. En daar sta je dan tussen de ruïnes van je leven! Waar leef je dan nog voor?

Wij weten intussen dat Abraham vol geloof is weggetrokken uit zijn land. Hij maakt zich los van zijn geboortegrond, zijn zekerheid. Hij ging een vage belofte achterna. Een man zonder grond, zonder kinderen. Wat voor toekomst heeft zo'n mens? Abraham leefde in tenten, als een vreemdeling. Op hoop van zegen is hij gegaan: God zegene zijn greep! Op eigen grond is Abraham vreemdeling gebleven. Dat is het indringend besef van de Joodse traditie: in eigen land zijn we zelf gasten en vreemdelingen. ‘De aarde’, zegt een spreekwoord, ‘hebben wij te leen van onze kinderen!’ In de eerste lezing hoorden wij op­nieuw hetzelfde verhaal. Daar gaat het over Mozes die met zijn volk de woestijn in trekt en daar veertig jaar verblijft. Met een blik op oneindig. Dat Land van Belofte, die gouden toekomst, ligt toch binnen handbereik (ook al duurt de tocht veertig jaar, een mensen­leven lang dus.)

Ook wij zijn mensen, een leven lang, onderweg. We is wachten op de komst van de brui­degom die zijn bruid komt ophalen. Maar wachten en wachten is twee. De sfeer is anders in de wachtkamer van de dokter dan in de verwachtingskamer van de kraamkliniek. Je kunt wachten op iemand die je graag mag, soms moet je wachten op iemand die je liever niet ziet. Wachtende, wakende mensen worden in het evangelie gelukkig geprezen. Ze voorkomen dat ze iets kostbaars kwijtraken én ze worden beloond voor hun trouw. Hun houding is een houding van ‘bereid-zijn’. Klaar staan om open te doen. Zij staan niet slaafs te wachten met de hand aan de knop van de deur om open te doen. Zij hebben hun hart opengesteld voor de Komende. Het zijn waakzame mensen die weten waar het om gaat. Door ervaring hebben zij geleerd wat belangrijk is in hun leven en wat niet.

Zij weten op wie zij wachten. Want dat is van belang: op wie wacht je? Is er een openheid naar elkaar toe, zoals we dat ervaren zoals bij moeder Theresa? Een openheid naar men­sen die bij ons onderdak zoeken, die vertrouwen in je stellen? Of wacht je alleen op diegenen die in jouw straatje passen?  Vaak hebben we last van onderhuidse gevoelens, die meespelen, als het gaat in ons contact met elkaar. Voor sommigen staan we spontaan open, bij anderen klappen we gelijk dicht. Daarom is de vraag belangrijk - voor wie wij in ons leven de deur openhouden. Voor wie niet? En waarom niet? Wie laten we in ons leventje toe en wie niet, en waarom eigenlijk niet?

Elk mens heeft behoefte aan een warm welkom. Een mens bij wie je warmte, geborgen­heid en vriendschap mag ervaren. Dat mag bij je levenspartner, je kinderen, je vrienden en vriendinnen zijn. Maar verder? Ben ik een wachtende mens? Gun ik mezelf tijd om te waken? Door te letten op wat goed is, op wat van God is Misschien wacht er vandaag nog iemand op me. Misschien kom ik vandaag in het gelaat van een ander de Heer tegen. Hem herkennen betekent dat je wachten wordt beloond.

Geborgenheid bij elkaar, in Gods naam. Intussen zijn veel mensen terechtgekomen in handen van rovers. Wie zijn die mensen, wie is die mens? Op Schiphol vragen wij direct om je paspoort of sturen je naamloos terug naar de plaats waar je vandaan komt. Voor ons is het reuze belangrijk te weten of iemand bankdirecteur is of vuilnisman. Dat bepaalt vaak de aan­dacht die wij elkaar geven. Maar op de paspoorten van veel mensen staat niets anders dan: in handen van rovers gevallen, uitgeschud op de weg van Jeruzalem naar Tel Aviv, de weg van Jeruzalem naar Bagdad en zoveel andere pijnplekken in de wereld. Is Nederland overvol? Maar in ons eigen land zijn we zélf Gods gasten en vreemdelingen. Aan Hem behoort deze wereld toe, en al de mensen die haar bewonen. Daarom ook leert Jezus ons dat we nooit vast mogen roesten. Geef je eigen zekerheden op, want ze stellen je op geen enkele manier veilig. God belooft ons ’n beter Vaderland, waar 't er hemelser aan toe gaat!

Ik hoop dat de Heer ons zó aantreft: niet verdiept in heftige discussies over de opvang van vluchtelingen, niet verdiept in allerlei vergaderstukken, niet neuzend tussen bank- en marktberichten, maar in gesprek en opvang van onze naasten, van mensen die, terwijl hier de zon schijnt, in diepe duisternis verkeren. De onderlinge solidariteit is dé graadme­ter van ons geloof. Het is een uitnodiging van God niet te horen bij een volk dat ten koste van anderen eigen zakken vult, maar om te behoren bij een volk dat voortgaat in het voetspoor van Jezus Messias, de Mensenzoon die geen steen had om zijn hoofd op neer te leg­gen. Laten we er voor zorgen dat wij in ons leven onze lampen brandend houden.

Pater Jan Haen C.Ss.R. en Pater Ambro Bakker s.m.a.